groenheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groen·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord groenheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

groenheid v [1]

  1. de mate van groen zijn
    • Niet alleen in maart lagen de temperaturen bovengemiddeld. Ook de afgelopen winter was het warmer, waardoor Nederland een stuk groener is dan vorig jaar rond deze tijd. Vooral het gras is groener. Dat blijkt uit waarnemingen van een satelliet, waarmee de groenheid van Nederland is bepaald. [2] 
    • Dat veel gazons en weilanden veranderen in bruingele steppes komt door de aanhoudende droogte. Vanaf begin juni heeft het vrijwel niet meer geregend. De onderzoekers gebruiken satellietbeelden om de gevolgen voor de groenheid van het gras in kaart te brengen. [3] 
  2. de mate van ecologisch verantwoord zijn
    • Er blijven wel vraagtekens rond de 'groenheid’ van de accu's die in elektrische voertuigen worden gebruikt. Het gaat hierbij om de ecologische voetafdruk die wordt veroorzaakt door de inkoop van grondstoffen, de productie van de batterijen zelf, het gebruik en de moeilijkheden om ze te recyclen zodra ze zijn afgeschreven. [4] 
  3. onrijpheid, onvolwassenheid

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.

Verwijzingen