groeien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groei·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
groeien
groeide
gegroeid
zwak -d volledig

Werkwoord

groeien

  1. ergatief groter worden
    • De economie is de laatste tijd weer een beetje gegroeid. 
  2. overgankelijk (kristallografie) doen groeien
    • Voor de productie van een geïntegreerd circuit wordt er eerst een groot en in grote mate perfect eenkristal van silicium gegroeid. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • met 60.000 groeien
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie