groenig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groe·nig
Woordherkomst en -opbouw
  • Afleiding van groen met het achtervoegsel -ig.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen groenig groeniger groenigst
verbogen groenige groenigere groenigste
partitief groenigs groenigers -

Bijvoeglijk naamwoord

groenig

  1. een beetje groen
    • Na zijn val had zijn gezicht iets groenigs. 
  2. op groen lijkend
    • Dit blauw is bijna groenig. 
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.