fiets

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een fiets in Amsterdam.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fiets
Woordherkomst en -opbouw
  • Er zijn verschillende hypotheses, misschien is het een verbastering van vélocipède, maar andere verklaringen zijn o.a. een onomatopeïsche oorsprong, of een vernoeming naar de Wageningse rijwielhandelaar E.C. Viets.[1] Een recentere en meer plausibele hypothese is dat het van het Duitse "Vize" komt (uitgesproken als "vietse"), dus dat een fiets een "vicepaard, surrogaatpaard" is.[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord fiets fietsen
verkleinwoord fietsje fietsjes

Zelfstandig naamwoord

fiets v/m

  1. (verkeer) een tweewielig vervoermiddel dat door middel van spierkracht middels pedalen wordt voortbewogen
    • De fiets is een van de populairste vervoermiddelen van de Lage Landen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Oh, op die fiets!
Oh, nou begrijp ik het.
  • Op de fiets springen
Haastig vertrekken per fiets, ook - figuurlijk - haastig vertrekken met willekeurig vervoermiddel
  • Op een oude fiets moet je het leren.
Gezegd tegen een sexueel onervaren jonge man om hem een oudere vrouwelijke sexpartner aan te raden.
  • Wat heb ik nou aan mijn fiets hangen?
Wat gebeurt er nou? Dit had ik helemaal niet verwacht!
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
fietsen

fiets

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fietsen
    • Ik fiets. 
  2. gebiedende wijs van fietsen
    • Fiets! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van fietsen
    • Fiets je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Jan-Dirk Snel, Vietsen in het Vondelpark
  2. De fiets is een vicepaard, De Standaard