fietsverbod

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fiets·ver·bod
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fietsverbod -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

fietsverbod o

  1. een verbod ergens te fietsen
    • Bleek er een fietsverbod te gelden op de nieuw gerenoveerde fietsbrug in Antwerpen. 
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid