bidon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Bidon en bidonhouder
Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·don
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘blikken veldfles’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1912 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bidon bidons
verkleinwoord bidonnetje bidonnetjes

Zelfstandig naamwoord

bidon m

  1. waterfles voor op de fiets
    • De waterdrager deelde de door hem opgehaalde bidons uit aan zijn ploeggenoten. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

bidon m

  1. (spreektaal) buik, pens
    «Chez Lulu on a rempli le bidon
    We hebben bij Lulu flink zitten bunkeren (letterlijk de buik gevuld) [1]
  2. (spreektaal) gelul, geklets
    «L'astrologie, c’est (du) bidon
    Astrologie, da's flauwekul. [1]

Bijvoeglijk naamwoord

bidon

  1. (spreektaal) nep, niet echt
    «Vanessa a avoué que c'était une excuse bidon
    Vanessa gaf toe dat het een kutsmoes was. [1]

Verwijzingen