reflector

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·flec·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord reflector reflectoren
reflectors
verkleinwoord reflectortje reflectortjes

Zelfstandig naamwoord

reflector m

  1. (natuurkunde), (optica) voorwerp bestemd om geluid of elektromagnetische straling zoals licht terug te kaatsen
    • Er zit geen reflector achter op je fiets. 
    • Door een reflector en een reeks van directoren is een yagi-antenne richtinggevoelig. 
     Op sommige voertuigen, zoals aanhangers, zijn bepaalde reflectoren verplicht.[3]
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. reflector op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 9 maart 2022 Weblink bron “Wat is een reflector?” (20 december 2021) op tralert.com
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

enkelvoud meervoud
reflector reflectors

Zelfstandig naamwoord

reflector

  1. reflector