Naar inhoud springen

crank

Uit WikiWoordenboek
rechtercrank met twee gemonteerde kettingwielen
  • crank
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘verbindingsstuk van fiets’ voor het eerst aangetroffen in 1897 [1][2]
enkelvoud meervoud
naamwoord crank cranks
verkleinwoord - -

decrankm

  1. verbindingsstuk tussen pedaal en trapas van een fiets
36 %van de Nederlanders;
19 %van de Vlamingen.[3]


  • [A] Mogelijk van  krank zn , verder van Proto-West-Germaans *krank, verder van Proto-Germaans *krangaz/ *krankaz
  • [B] Via Middelengels crank/cronk van Angelsaksisch crancstæf (uiteindelijk dezelfde etymologie als [A])
enkelvoud meervoud
crank cranks

[A] crank

  1. (vooral dialect), (medisch) aandoening, ziekte
  2. (informeel), (persoon) engerd,  griezel zn 
  3. (informeel), (persoon)  kwast zn  [2], raar iemand, snoeshaan,  zonderling zn 
  4. (informeel), (persoon) ziek iemand,  ziek zn 
  5.  gril zn 
  6. (informeel), (persoon) amateurwetenschapper
  7. (sport), (persoon) baseballliefhebber
stellend vergrotend overtreffend
crankmore crankmost crank

crank

  1. (vooral dialect) moeilijk, ingewikkeld, [lastig]] [2]
  2. (informeel) merkwaardig,  raar bn , vreemd

[B] crank

  1. (techniek) krukas,  slinger zn 
  2. (informeel)}, (anatomie)  penis zn 
vervoeging
onbepaalde wijs to  crank 
he/she/it  cranks 
verleden tijd  cranked 
voltooid
deelwoord
 cranked 
onvoltooid
deelwoord
 cranking 
gebiedende wijs  crank 

crank

  1. overgankelijk aanslingeren, aanzwengelen
  2. onovergankelijk zich irritant of raar gedragen