spaak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spaak
enkelvoud meervoud
naamwoord spaak spaken
verkleinwoord spaakje spaakjes

Zelfstandig naamwoord

spaak v/m

  1. een staaf die de naaf en de velg van een wiel verbindt
    • De spaak was gebroken, maar dat hinderde niet. 
  2. (gereedschap) staaf als hefboom
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie