binnenband

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Binnenbanden van een fiets
Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·band
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord binnenband binnenbanden
verkleinwoord binnenbandje binnenbandjes

Zelfstandig naamwoord

binnenband m

  1. (techniek) binnenste band, de band waarin de lucht aanwezig is
    Gister reed ik door glas, maar alleen mijn buitenband is beschadigd. Aan mijn binnenband zie je niks, dus ik kan nog gewoon fietsen.
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie