fietsles

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fiets·les
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fietsles fietslessen
verkleinwoord fietslesje fietslesjes

Zelfstandig naamwoord

fietsles v/m

  1. (onderwijs) les gegeven aan mensen die nog niet kunnen fietsen b.v. in het kader van een inburgeringscursus voor allochtonen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.