fietspad

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fiets·pad
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fietspad fietspaden
verkleinwoord fietspaadje fietspaadjes

Zelfstandig naamwoord

fietspad o

  1. (verkeer) een weggedeelte of vrijliggend pad dat is gereserveerd voor het gebruik door fietsers en snorfietsers
    • Nederland is uniek in de wereld door de aanwezigheid van het grote aantal fietspaden. 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie