vervoer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·voer
enkelvoud meervoud
naamwoord vervoer -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

vervoer o

  1. (transport) overbrenging van zaken van één plaats naar de andere
    • Het vervoer van containers gebeurt via schepen. 
  2. middel waarmee overbrenging van zaken plaatsvindt
    • Heb je al vervoer naar de luchthaven? 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
vervoeren

vervoer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vervoeren
    • Ik vervoer. 
  2. gebiedende wijs van vervoeren
    • Vervoer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vervoeren
    • Vervoer je? 
vervoeging van
vervaren

vervoer

  1. enkelvoud verleden tijd van vervaren
    • Ik vervoer. 
    • Jij vervoer. 
    • Hij, zij, het vervoer. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie