tandem

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Tandem met fietszitje
Uitspraak
Woordafbreking
  • tan·dem
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘tweepersoonsfiets’ voor het eerst aangetroffen in 1889 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord tandem tandems
verkleinwoord tandempje tandempjes

Zelfstandig naamwoord

tandem m

  1. fiets waarbij twee personen de aandrijfkracht kunnen leveren
  2. bespanning met twee paarden achter elkaar
  3. twee nauw samenwerkende personen, een duo
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Latijn

Bijwoord

tandem

  1. eindelijk
  2. tenslotte