trimfiets

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trim·fiets
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trimfiets trimfietsen
verkleinwoord trimfietsje trimfietsjes

Zelfstandig naamwoord

trimfiets v / m

  1. sportfiets
  2. hometrainer

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.