fietsbel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

solide Fietsbel uit 1913 met heldere trillertoon
Uitspraak
Woordafbreking
  • fiets·bel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fietsbel fietsbellen
verkleinwoord fietsbelletje fietsbelletjes

Zelfstandig naamwoord

fietsbel v / m

  1. bel bestemd voor een fiets
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be