fietsland

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fiets·land
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fietsland fietslanden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

fietsland o

  1. een land waar veel mensen fietsen
    • „Wij zijn geschrokken van de cijfers”, zegt Rob Stomphorst van Veilig Verkeer Nederland (VVN). „Het is zorgwekkend dat het aantal autododen is ingehaald door het aantal fietsdoden. En dat in fietsland nummer 1, waar met name de oudere fietser de dupe is.” [1] 
    • Nederland fietsland? Nou en of! Voor een reportage in VRIJ magazine vroegen wij onze lezers een foto van hun bijzondere fiets op te sturen. Dat hebben we geweten! We selecteerden er vijf voor ons magazine, maar kregen natuurlijk veel meer reacties. Geniet hier van een aantal prachtige stalen rossen! [2] 
    • ‘Nederland fietsland’ staat op losse schroeven. Steeds minder kinderen bezitten een fiets en kunnen er dus ook niet goed op rijden. Veilig Verkeer Nederland slaat alarm. We keken mee bij een fietsles op de Jenaplanschool Cleophas in Utrecht. [3] 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. De Telegraaf GIJSBERT TERMAAT 25 apr. 2018 Meeste doden op de fiets, niet in auto
  2. De Telegraaf 06 mrt. 2018 Dit zijn jullie mooiste fietsen!
  3. De Telegraaf 05 apr. VVN luidt noodklok: steeds minder kinderen leren fietsen