zadel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • za·del
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Oudslavisch, in de betekenis van ‘zitting’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1270 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord zadel zadels
verkleinwoord zadeltje zadeltjes

Zelfstandig naamwoord

zadel m/o

  1. zitplaats op de rug van een (rij)dier
  2. zitplaats op een (gemotoriseerde) fiets
  3. (muziek) deel van een muziekinstrument waar de snaren strak over gespannen zijn, kam
  4. bergpas
  5. bevestiging voor kabels en leidingen
  6. lendenstuk (vgl. kalfszadel, lamszadel)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zadelen

zadel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zadelen
    • Ik zadel. 
  2. gebiedende wijs van zadelen
    • Zadel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zadelen
    • Zadel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen