gulden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een (Nederlandse) gulden.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gul·den
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘oude munt, munteenheid van Nederland, de Nederlandse Antillen en Suriname’ voor het eerst aangetroffen in 1248 [1]
  • (erfwoord) Van Middelnederlands guldijn, Oudnederlands *guldīn, Germaans *gulþīnaz. Het zelfstandig naamwoord is een verkorte vorm van "gulden florijn", het bijvoeglijke is goeddeels verdrongen door gouden.
enkelvoud meervoud
naamwoord gulden guldens
verkleinwoord guldentje guldentjes

Zelfstandig naamwoord

gulden m

  1. (numismatiek) de munteenheid op Curaçao en Sint Maarten, voorheen ook in andere landen
    • In Nederland wordt niet meer met de gulden betaald. 
Opmerkingen
  • In de spreektaal wordt in het woord "gulden" vaak de n weggelaten (gulde, guldes, guldetje, guldetjes). In de schrijftaal is dit echter incorrect.
Afkorting
Vertalingen
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen gulden

Bijvoeglijk naamwoord

gulden

  1. vaak overdrachtelijk van goud vervaardigd
    • Die man had een gulden hart. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • De gulden snede
(wiskunde) de verhouding 1:(½+½√5)
  • De gulden middenweg
Een wijs en gematigd optreden

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Tsjechisch

Zelfstandig naamwoord

gulden m

  1. (numismatiek) gulden