eg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een handeg.

Nederlands

Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: EG
Uitspraak
Woordafbreking
  • eg
enkelvoud meervoud
naamwoord eg eggen
verkleinwoord egje egjes

Zelfstandig naamwoord

eg v/m

  1. (landbouw) een landbouw- of tuinbouwwerktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond door het maken van kleine geultjes
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
eggen

eg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eggen
    Ik eg.
  2. gebiedende wijs van eggen
    Eg!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eggen
    Eg je?

Meer informatie


Afrikaans

1 enkelvoud meervoud
naamwoord eg egge, êe
2 enkelvoud meervoud
naamwoord eg -

Zelfstandig naamwoord

eg

  1. (landbouw) eg
  2. echt, huwelijk
    «Buite die eg gebore.»
    Buitenechtelijk.
stellend attributief vergrotend overtreffend
eg egte egter egste

Bijvoeglijk naamwoord

eg

  1. echt


Faeröers

Uitspraak
enkelvoud meervoud
nominatief eg vit
accusatief meg okkum
genitief mín okkara
datief mær okkum

Persoonlijk voornaamwoord

eg

  1. ik (nominatief van de eerste persoon enkelvoud)


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /æx/ ~ /ɛɪ/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

eg o

  1. ei
Verbuiging
Synoniemen


Jamaicaans Patois

Zelfstandig naamwoord

eg

  1. ei


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • eg

Persoonlijk voornaamwoord

eg

  1. (1e persoon enkelvoud nominatief mannelijk) ik
Verwante begrippen

De Nynorske persoonlijke voornaamwoorden

hoeveelheid / speciale geval persoon woordgeslacht en delgroepen onderwerp (nominatief) voorwerp (accusatief) Nederlands (nominatief)
enkelvoud 1.  
eg
meg
ik
2.  
du
deg
jij
3.
mannelijk
han
han / honom
hij
vrouwelijk
ho
ho / henne
zij
onzijdig
det
det
het
meervoud 1.  
vi
oss
wij
2.  
de
dykk
jullie
3.  
dei
dei
zij
beleefdheidsvorm 2.  
De
Dykk
U, u