eg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een handeg.

Nederlands

Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: EG
Uitspraak
Woordafbreking
  • eg
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord eg eggen
verkleinwoord egje egjes

Zelfstandig naamwoord

eg v/m

  1. (landbouw) een landbouw- of tuinbouwwerktuig dat gebruikt wordt voor het zaaiklaar maken van de grond door het maken van kleine geultjes
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
eggen

eg

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eggen
    Ik eg.
  2. gebiedende wijs van eggen
    Eg!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eggen
    Eg je?

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders
65 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl


Afrikaans

1 enkelvoud meervoud
naamwoord eg egge, êe
2 enkelvoud meervoud
naamwoord eg -

Zelfstandig naamwoord

eg

  1. (landbouw) eg
  2. echt, huwelijk
    «Buite die eg gebore.»
    Buitenechtelijk.
stellend attributief vergrotend overtreffend
eg egte egter egste

Bijvoeglijk naamwoord

eg

  1. echt


Faeröers

Uitspraak
enkelvoud meervoud
nominatief eg vit
accusatief meg okkum
genitief mín okkara
datief mær okkum

Persoonlijk voornaamwoord

eg

  1. ik (nominatief van de eerste persoon enkelvoud)


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /æx/ ~ /ɛɪ/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

eg o

  1. ei
Verbuiging
Synoniemen


Jamaicaans Patois

Zelfstandig naamwoord

eg

  1. ei


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • eg

Persoonlijk voornaamwoord

eg

  1. (1e persoon enkelvoud nominatief mannelijk) ik
Verwante begrippen
Nynorske persoonlijke voornaamwoorden
getal / respect pers. genus onderwerp (nominatief) nld. voorwerp (accusatief) nld.
enkelvoud 1e   eg ik meg mij
2e   du jij deg jou
3e m han hij han (honom) hem
v ho zij ho / henne haar
o det het det het
meervoud 1e   vi wij oss ons
2e   de jullie dykk jullie
3e   dei zij dei hen
beleefdheidsvorm 2e   De u Dykk u