meg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Faeröers

Uitspraak
enkelvoud meervoud
nominatief eg vit
accusatief meg okkum
genitief mín okkara
datief mær okkum

Persoonlijk voornaamwoord

meg

  1. mij (accusatief van de eerste persoon enkelvoud)


Hongaars

Uitspraak
  • IPA: /ˈmɛg/

Voegwoord

meg

  1. en


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • meg
Naar frequentie 16

Persoonlijk voornaamwoord

meg

  1. (1e persoon enkelvoud) mij, me (informeel)
    «Kan noen fortelle meg hva som har skjedd her?»
    Kan iemand mij vertellen wat er hier gebeurd is?

De Noorse persoonlijke voornaamwoorden (in het bokmål)

hoeveelheid / speciale geval persoon woordgeslacht en delgroepen onderwerp (nominatief) voorwerp (accusatief) Nederlands (nominatief)
enkelvoud 1.  
jeg
meg
ik
2.  
du
deg
jij
3. mannelijk :
personen
dingen

han
den

han / ham
den
hij
vrouwelijk :
personen
dingen

hun
den

henne
den
zij
onzijdig
det
det
het
meervoud 1.  
vi
oss
wij
2.  
dere
dere
jullie
3.  
de
dem
zij
beleefdheidsvorm 2.  
De
Dem
U, u


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • meg

Persoonlijk voornaamwoord

meg

  1. (1e persoon enkelvoud) mij, me (informeel)

De Nynorske persoonlijke voornaamwoorden

hoeveelheid / speciale geval persoon woordgeslacht en delgroepen onderwerp (nominatief) voorwerp (accusatief) Nederlands (nominatief)
enkelvoud 1.  
eg
meg
ik
2.  
du
deg
jij
3.
mannelijk
han
han / honom
hij
vrouwelijk
ho
ho / henne
zij
onzijdig
det
det
het
meervoud 1.  
vi
oss
wij
2.  
de
dykk
jullie
3.  
dei
dei
zij
beleefdheidsvorm 2.  
De
Dykk
U, u