persoonlijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • per·soon·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen persoonlijk persoonlijker persoonlijkst
verbogen persoonlijke persoonlijkere persoonlijkste
partitief persoonlijks persoonlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

persoonlijk

  1. betrekking hebbend op of uitgevoerd door de persoon zelf
    • Zo'n kaartje is heel wat persoonlijker dan een e-mail die gericht is aan iedereen. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.