persoonlijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • per·soon·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen persoonlijk persoonlijker persoonlijkst
verbogen persoonlijke persoonlijkere persoonlijkste
partitief persoonlijks persoonlijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

persoonlijk

  1. betrekking hebbend op of uitgevoerd door de persoon zelf
    • Zo'n kaartje is heel wat persoonlijker dan een e-mail die gericht is aan iedereen. 
     Ho, ho dat hadden we niet met elkaar afgesproken… Toch fijn dat enkelen die vooraf zo fel en kritisch waren geweest, mij na afloop van de tocht een persoonlijk bericht stuurden om te zeggen hoe mooi ze het vonden dat ik mijn droom achterna was gegaan.[1]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be