hij

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
Uitspraak
Woordafbreking
  • hij
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: hi, hie
Oudnederlands: hi
Germaans: *hiz
Indo-Europees: *ki-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: he, it, (Angelsaksisch: hē), Oudhoogduits: hēr, Fries: hy, hja, it (Oudfries: hī)
Oost: Gotisch: his

Persoonlijk voornaamwoord

hij

  1. nominatief mannelijk derde persoon enkelvoud nominatief
    Hij heeft een hoed.
    Wie heeft het gedaan? Hij!
Synoniemen
Vertalingen