hij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
Uitspraak
Woordafbreking
  • hij
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘persoonlijk voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: hi, hie
Oudnederlands: hi
Germaans: *hiz
Indo-Europees: *ki-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: he, it, (Angelsaksisch: hē), Oudhoogduits: hēr, Fries: hy, hja, it (Oudfries: hī)
Oost: Gotisch: his

Persoonlijk voornaamwoord

hij

  1. mannelijk derde persoon enkelvoud nominatief
    • Hij heeft een hoed. 
    • Wie heeft het gedaan? Hij! 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen