jou

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
Uitspraak

Persoonlijk voornaamwoord

jou

  1. tweede persoon enkelvoud accusatief (datief) informeel
    Hij heeft jou gezien (lijdend voorwerp).
    Hij heeft jou dit gegeven (meewerkend voorwerp).
    Hij heeft achter jou gelopen (na voorzetsel).
Gelijkklinkende woorden
Verwante begrippen
onbenadrukt je, formeel U, onderwerp jij
Vertalingen


Afrikaans

  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ek my ons ons
2e persoon
(informeel)
jy jou julle julle
2e persoon
(formeel)
u u u u
3e persoon
(mannelijk)
hy hom hulle hulle
3e persoon
(vrouwelijk)
sy haar
3e persoon
(onzijdig)
dit dit
Uitspraak
  • IPA: /jəʊ̯/

Persoonlijk voornaamwoord

jou

  1. jou