jij

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
Uitspraak
Woordafbreking
  • jij
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: jī, gī, jou
Oudnederlands: gī
Germaans: *jūz
Indo-Europees: *túh₂.
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: ye, you, (Angelsaksisch: ġē), Duits: ihr, (Oudhoogduits: ir), Fries: jim, jimme (Oudfries: jī)
Noord: Zweeds: ni, I, Deens: I, Noors: dere, (Nynorsk: de, Oudnoors: ér, þér), IJslands: þér, Faeröers: tær
Oost: Gotisch: jus

Persoonlijk voornaamwoord

jij

  1. tweede persoon enkelvoud informeel
Verwante begrippen
  • Clitische vorm: je
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
jijen

jij

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jijen
    Ik jij.
  2. gebiedende wijs van jijen
    Jij!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jijen
    Jij je?