Naar inhoud springen

jij

Uit WikiWoordenboek
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm
  • jij
  • In de betekenis van ‘persoonlijk voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in 1617.[1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: jī, ghī, jou
Oudnederlands: gī
Germaans: *jūz
Indo-Europees: *iúh₂.
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: ye, you, (Angelsaksisch: ġē), Duits: ihr, (Oudhoogduits: ir), Fries: jim, jimme (Oudfries: jī)
Noord: Zweeds: ni, I, Deens: I, Noors: dere, (Nynorsk: de, Oudnoords: ér, þér), IJslands: þér, Faeröers: tær
Oost: Gotisch: jus

jij

  1. tweede persoon enkelvoud informeel
  • jíȷ́ (sterk benadrukte vorm in officiële spelling)
  • jíj (sterk benadrukte vorm, toegelaten in officiële spelling omdat het teken ȷ́ vaak niet beschikbaar is)
  • je (onbenadrukte vorm)
  • Jij haalt mij de woorden uit mijn mond
  • Jij raapt nog geen stro van de aarde
je hebt nog niets verwezenlijkt
vervoeging van
jijen

jij

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jijen
    • Ik jij. 
  2. gebiedende wijs van jijen
    • Jij! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jijen
    • Jij je? 
100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]