Naar inhoud springen

zij

Uit WikiWoordenboek
  • zij
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
julliejullie
2e persoon
(formeel)
uuuu
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
ugij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
3e persoon
(genderneutraal)
henhen
Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm
  1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk, nominatief
    • Heeft zij dat gezegd of was het haar echtgenoot? 
  2. 3e persoon meervoud, nominatief
    • Hebben zij dat gedaan of was het de oppositie? 
     Heffingen maakten Chinese auto's niet duurder:Afgelopen zomer voerde de EU nog heffingen in om de Europese auto-industrie te beschermen tegen de veel goedkopere auto's uit China. Maar volgens brancheorganisatie Bovag hebben de heffingen niet geleid tot hogere prijzen voor Chinese elektrische auto's. "De Chinese bedrijven hebben de hogere prijzen kennelijk weten te absorberen. Dat laat ook zien hoe efficiënt zij auto's kunnen produceren", zegt Geert Brummelhuis van Bovag.[13]
[A] enkelvoud meervoud
naamwoord zij -
verkleinwoord - -

[A]dezijv

  1. vrouwelijk individu
[B 1] enkelvoud meervoud
naamwoord zij zijden
zijdes
verkleinwoord zijtje zijtjes
[B 2] enkelvoud meervoud
naamwoord zij zijdes
verkleinwoord zijtje zijtjes

[B]dezijv/m

  1. (anatomie) een van beide kanten van een lichaam.
    • Hij lag niet op zijn zij, maar op zijn rug. 
  2. (verouderd) richting, of onderdeel dat in een richting te vinden is
  3. (materiaalkunde) zachte, gladde stof gemaakt van cocons van de zijderups

[C] zij

  1. aanvoegende wijs tegenwoordige tijd enkelvoud van zijn.
    • Het zij zo! 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[14]