zij

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zij
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: si
Oudnederlands: sia, siu
Germaans: *iz en *hiz
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't

Persoonlijk voornaamwoord

[1]

  1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk, nominatief
    Heeft zij dat gezegd of was het haar echtgenoot?
  2. 3e persoon meervoud, nominatief
    Hebben zij dat gedaan of was het de oppositie?
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
  • Clitische vorm: ze.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
1 enkelvoud meervoud
naamwoord zij zijden
zijdes
verkleinwoord zijtje zijtjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord zij zijdes
verkleinwoord zijtje zijtjes

Zelfstandig naamwoord

zij v/m

  1. (anatomie) één van beide kanten van een lichaam.
    Hij lag niet op zijn zij, maar op zijn rug.
  2. zijde, zijden stof [2] [3]
  3. vrouwelijk individu [4]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

zij

  1. aanvoegende wijs tegenwoordige tijd enkelvoud van zijn.
    Het zij zo!
Hyponiemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. Woordenboek der Nederlandse taal