zij

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zij
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: si
Oudnederlands: sia, siu
Germaans: *iz en *hiz
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't

Persoonlijk voornaamwoord

[1]

  1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
    Heeft zij dat gezegd of was het haar echtgenoot?
  2. 3e persoon meervoud
    Hebben zij dat gedaan of was het de oppositie?
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
  • Clitische vorm: ze.
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord zij (zijden)
verkleinwoord zijtje zijtjes

Zelfstandig naamwoord

zij v/m

  1. (anatomie) één van beide kanten van een lichaam.
    Hij lag niet op zijn zij, maar op zijn rug.
  2. zijde, zijden stof [2] [3]
  3. vrouwelijk individu [4]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

zij

  1. aanvoegende wijs tegenwoordige tijd enkelvoud van zijn.
    Het zij zo!
Hyponiemen


Meer informatie

Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. Woordenboek der Nederlandse taal