tie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tie
Woordherkomst en -opbouw

Persoonlijk voornaamwoord

tie m

  1. (spreektaal) (informeel) een niet benadrukte vorm van hij, 3e persoon enkelvoud mannelijk
    • •Is tie niet mooi, 'k heb nog net een kunnen krijgen. [2]
    • •Als tie vloekt dan is tie rood
      Als tie sterft dan is tie dood
      Dan wordt ie in de grond gepoot
       [3]
Opmerkingen
  • Alleen gangbaar na een persoonsvorm of inleidend woord van een bijzin.
Schrijfwijzen
  • Om de uitspraak weer te geven wordt dit woord ook wel met het voorgaande woord aaneengeschreven of verbonden door een koppelteken waarbij in het laatste geval door -t- af te splitsen een relatie met ie wordt gelegd: "Istie niet mooi?", "Is-tie niet mooi?" of "Is-t-ie niet mooi?"
Synoniemen
  • die (na een persoonsvorm of inleidend woord bijzin eindigend op een stemhebbende klank)
  • ie (na persoonsvorm of inleidend woord bijzin)

Gangbaarheid

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
tie ties

Zelfstandig naamwoord

tie

  1. das
  2. verbinding
vervoeging
onbepaalde wijs to tie
he/she/it ties
verleden tijd tied
voltooid
deelwoord
tied
onvoltooid
deelwoord
tying
gebiedende wijs tie

Werkwoord

tie

  1. binden, vastmaken


Lets

  enkelvoud meervoud
naamval m v m v
nominatief tas tie tās
genitief tās to to
datief tam tai tiem tām
accusatief to to tos tās
instrumentalis ar to ar to ar tiem ar tām
locatief tajā; tai; tanī tajā; tai; tanī tajos; tais; tanīs tajās; tais; tanīs

Aanwijzend voornaamwoord

tie

  1. die, nominatief mv van tas dat verwijst naar een mannelijk woord