die

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • die
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: die, des
Oudnederlands: thie, thē, thia, thiu
Germaans: *sa
Indo-Europees: *só
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: the, that, those (Angelsaksisch: sē), Duits: der, (Oudhoogduits: dēr), Fries: de, dy (Oudfries: thī)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: den, det, de, (Nynorsk: det, dei, Oudnoors: sá), IJslands: sá, Faeröers: tann, tað, sá
Oost: Gotisch: sa

Aanwijzend voornaamwoord

die (m enk, v enk en mv)

  1. wijst iets of iemand aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
    (m enk) Die auto scheurt tegen een ongehoorde snelheid over de autosnelweg.
    (v enk) Die staking heeft nu lang genoeg geduurd: de arbeiders hervatten het werk.
    (mv) Die honden in dat asiel worden daar onrechtvaardig behandeld.
  2. ter aankondiging van een bepaling
    (m enk) Ken je de echtgenoot van Sofie? Die heeft haar bedrogen!
    (v enk) Ik ga niet meer bij die kapster, die heeft mijn haar slecht geknipt.
    (mv) De mensen die daar wonen, die hebben hun bouwgrond allemaal spotgoedkoop gekocht.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Betrekkelijk voornaamwoord

die (m enk, v enk en mv)

  1. in een bijzin die het nog niet geheel bekende antecedent nader bepaalt
    (m enk) De man die je me voorstelde, had ik al eerder ontmoet.
    (v enk) Je secretaresse die opgestapt is omdat je secretaressedag vergeten was, heeft al een nieuwe baan.
    (mv) De duiven die je op pleinen in grootsteden vindt, zijn volledig gewend aan de aanwezigheid van mensen.
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

Lidwoord

die

  1. de, het


Duits

Lidwoord

die v enk (nom en acc)

  1. de, het.
    (nom) Sie war die Frau des Präsidenten.Ze was de vrouw van de president.
    (acc) Ich sehe die Frau des Präsidenten.Ik zie de vrouw van de president.

die mv (nom en acc)

  1. de (meervoud).
    (nom) Die Männer fällten Bäume.De mannen velden bomen.
    (acc) Ich fällte die Bäume.Ik velde de bomen.

Betrekkelijk voornaamwoord

die

  1. die
    Ich kenne eine Frau, die das kann.Ik ken een vrouw, die dat kan.


Engels

Werkwoord

die

  1. (onovergankelijk) sterven


Gronings

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon (ik)
k
mie wie os
2e persoon
(informeel)
doe die joe joe
2e persoon
(formeel)
joe joe joe joe
3e persoon
(mannelijk)
hai hom zai
zie
heur
3e persoon
(vrouwelijk)
zai
zie
heur
3e persoon
(onzijdig)
t t

Persoonlijk voornaamwoord

die

  1. jou


Latijn

Zelfstandig naamwoord

dĭē

  1. ablatief enkelvoud van dĭēs


Middelnederlands

m v o mv
nominatief die die dat die
genitief des der des der
datief dien der dien dien
accusatief dien die dat die

Lidwoord

die

  1. nominatief m, v en mv van het bepaald lidwoord: de
  2. accusatief v en mv van het bepaald lidwoord: de