mij
Uiterlijk
- mij
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onderwerp | voorwerp | onderwerp | voorwerp | |
| 1e persoon | ik 'k | mij me | wij we | ons |
| 2e persoon (informeel) |
jij je | jou je | jullie | jullie |
| 2e persoon (formeel) |
u | u | u | u |
| 2e persoon (regionaal) |
gij ge | u | gij ge | u |
| 3e persoon (mannelijk) |
hij ie | hem 'm | zij ze | (dat.) hun (acc.) hen ze |
| 3e persoon (vrouwelijk) |
zij ze | haar 'r, d'r | ||
| 3e persoon (onzijdig) |
het 't | het 't | ||
| 3e persoon (genderneutraal) |
hen | hen | ||
| Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm | ||||
mij
- accusatief en datief van ik, eerste persoon enkelvoud.
- Hij ontsloeg mij.
- Hij gaf mij een baan.
- vorm van ik na een voorzetsel.
- Van mij hoef je niets te vrezen.
- Ze kocht een mooi cadeautje speciaal voor mij.
- ▸ Ik kon niet alles goed volgen, maar het monotone geluid van stemmen om mij heen voelde veilig en vertrouwd.[3]
mij
- (afkorting) maatschappij
- Mij een zorg ( of kopzorg)!
- Dat is gesneden koek voor mij
Daar heb ik geen moeite mee
- De vingers jeuken mij
- Dit steekt ( of zit) mij in de krop
- Een licht gaat mij op
- Het ligt mij op de leden
- Jij haalt mij de woorden uit mijn mond
- Na mij de zondvloed
dat is een probleem dat zich pas voordoet als ik er niet meer ben - het zal mijn tijd wel duren
- Ze maken mij de pis niet lauw
- Zo waarlijk helpe mij God almachtig!
1.
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| verplicht | keuze | verplicht | keuze | |
| 1e persoon | mij me | mijzelf mezelf | ons | onszelf |
| 2e persoon (informeel) |
je | jezelf | je | jezelf |
| 2e persoon (formeel) |
zich | zichzelf | zich | zichzelf |
| 2e persoon (regionaal) |
u | uzelf | u | uzelf |
| 3e persoon |
zich | zichzelf | zich | zichzelf |
- eerste persoon enkelvoud.
- zich vergissen: ik vergiste mij.
- Het woord mij staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "mij" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ "mij" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ mij op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers

- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
mij
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 3
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Persoonlijk voornaamwoord in het Nederlands
- Afkorting in het Nederlands
- Wederkerend voornaamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %
- Woorden in het Skolt-Sami
- Persoonlijk voornaamwoord in het Skolt-Sami