haar
Uiterlijk
- haar
- [A] erfwoord via Middelnederlands hare van Oudnederlands hiro, als bezittelijk voornaamwoord aangetroffen vanaf de 10e eeuw [1] [2] [3] [4]
- [B] erfwoord via Middelnederlands haer van Oudnederlands haar, in de betekenis ‘buigbare vezels die op huid van zoogdieren groeien’ aangetroffen vanaf 1100 [5] [6]
- [C] erfwoord via Middelnederlands hare van Oudnederlands hara, in de betekenis ‘hoogte in het veld’ aangetroffen vanaf 797 [7] [8] [4]
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| bijvoeglijk | zelfstandig | bijvoeglijk | zelfstandig | |
| 1e persoon | mijn m'n | mijne | ons, onze | onze |
| 2e persoon (informeel) |
jouw je | jouwe | jullie je | - |
| 2e persoon (formeel) (regionaal) |
uw | uwe | uw | uwe |
| 3e persoon (mannelijk) |
zijn z'n | zijne | hun | hunne |
| 3e persoon (vrouwelijk) |
haar d'r, 'r | hare | ||
| 3e persoon (onzijdig) |
zijn z'n (ervan) | zijne | ||
| 3e persoon (genderneutraal) |
hun | hunne | ||
| Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm | ||||
[A] haar
- bezit aanduidend door een derde persoon vrouwelijk enkelvoud
- Zij heet Anna. Haar man heet Jan.
- ▸ De VU laat aan de NOS weten te waarderen dat het werkveld erg betrokken is. "De realiteit blijft echter dat de afdeling Aardwetenschappen langdurig te maken heeft met structurele financiële tekorten, ondanks eerdere reorganisaties en gedeeltelijk steun van andere afdelingen. Deze structurele tekorten zijn niet langer mogelijk gezien de bezuinigingsopgave waar we als faculteit, maar ook als universiteit in haar geheel, nu voor staan."[9]
- ▸ Met haar metalen golfplaten dak leek deze plek me niet geschikt om bescherming te bieden, eerder een uitnodiging aan de bliksem om in te slaan.[10]
- (verouderd) bezit aanduidend door derde persoon vrouwelijk meervoud
- De vrouwen en haar gevoelens.
- [2] hun
1. bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onderwerp | voorwerp | onderwerp | voorwerp | |
| 1e persoon | ik 'k | mij me | wij we | ons |
| 2e persoon (informeel) |
jij je | jou je | jullie | jullie |
| 2e persoon (formeel) |
u | u | u | u |
| 2e persoon (regionaal) |
gij ge | u | gij ge | u |
| 3e persoon (mannelijk) |
hij ie | hem 'm | zij ze | (dat.) hun (acc.) hen ze |
| 3e persoon (vrouwelijk) |
zij ze | haar 'r, d'r | ||
| 3e persoon (onzijdig) |
het 't | het 't | ||
| 3e persoon (genderneutraal) |
hen | hen | ||
| Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm | ||||
[A] haar
- accusatief van zij, derde persoon enkelvoud
- Ik heb haar gisteren nog gezien.
- datief van zij, derde persoon enkelvoud
- Ik heb haar gisteren nog dat boek gegeven.
- (verouderd) datief of accusatief van derde persoon meervoud
- al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel
- Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel
liegen keert zich tegen je, altijd! - met een leugen schiet iemand niets op omdat de waarheid altijd vroeg of laat naar buiten komt
- tot in de toppen van zijn (haar) vingers
door en door, helemaal, geheel en al
1. accusatief van zij, derde persoon enkelvoud
2. datief van zij, derde persoon enkelvoud
| [B] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | haar | haren |
| verkleinwoord | haartje | haartjes |
[B] het haar o
- (anatomie) geheel van uitgroeisels van de epidermis bij zoogdieren die delen van of het gehele lichaam bedekken
- (beschrijvende plantkunde) plantenhaar, geheel van uitgroeisels op de opperhuid van planten
- (anatomie) elk afzonderlijk uitgroeisel van de epidermis bij zoogdieren, vezel uit de beharing
|
|
erg moedig zijn in het geven van een mening/ Bazig zijn
de uiterste best voor iets doen
ergens erg van schrikken
erge ruzie hebben
ergens helemaal niets voor voelen
Een scheiding.
niet weten wat je moet doen/Niet weten wat je er mee aan moet vangen
minder gekke dingen gaan doen
uiten van groot verdriet, angst of spijt
|
- [3] een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken
- [3] grijze haren zijn kerkhofsbloemenals je grijze haren krijgt, ben je niet zo ver meer van het kerkhof (ofwel de dood); oude mensen zijn dicht bij de dood
1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
zijn haren gingen (recht) overeind staan
|
| vervoeging van |
|---|
| haren |
[B] haar
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haren
- Ik haar.
- gebiedende wijs van haren
- Haar!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haren
- Haar je?
| [C] | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | haar | - |
| verkleinwoord | - | - |
[C] de haar v
- (aardrijkskunde) hogere zandrug op de heide
- Het woord haar staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "haar" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[12] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ haar (voornaamwoord) op website: Etymologiebank.nl
- 1 2 "haar" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ haar (draadvormige huidbedekking) op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ haar (hoogte in hetveld) op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Weblink bron Sven Schaap“Werkveld luidt noodklok op actiedag tegen verdwijnen aardwetenschappen VU” (6 mei 2025), NOS - ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers

- ↑ Lemaitre, Pierre"Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 17
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onderwerp | voorwerp | onderwerp | voorwerp | |
| 1e persoon | ek | my | ons | ons |
| 2e persoon (informeel) |
jy | jou | julle | julle |
| 2e persoon (formeel) |
u | u | u | u |
| 3e persoon (mannelijk) |
hy | hom | hulle | hulle |
| 3e persoon (vrouwelijk) |
sy | haar | ||
| 3e persoon (onzijdig) |
dit | dit | ||
- IPA: /ɦɑːr/
haar
haar
- verouderde spelling of vorm van hår tot 1917
- onbepaalde onzijdige vorm nominatief enkelvoud
haar
- verouderde spelling of vorm van hår tot 1917
- onbepaalde onzijdige vorm nominatief enkelvoud
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Erfwoord in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Bezittelijk voornaamwoord in het Nederlands
- Verouderd in het Nederlands
- Persoonlijk voornaamwoord in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Anatomie in het Nederlands
- Beschrijvende plantkunde in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Aardrijkskunde in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %
- Woorden in het Afrikaans
- Woorden in het Afrikaans met audioweergave
- Persoonlijk voornaamwoord in het Afrikaans
- Woorden in het Afrikaans met IPA-weergave
- Woorden in het Noors
- Woorden in het Noors van lengte 4
- Oude spelling van het Noors van voor 1917
- Verouderd in het Noors
- Woorden in het Nynorsk
- Woorden in het Nynorsk van lengte 4
- Oude spelling van het Nynorsk van voor 1917
- Verouderd in het Nynorsk