Naar inhoud springen

haar

Uit WikiWoordenboek
  enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon mijn
m'n
mijne ons, onze onze
2e persoon
(informeel)
jouw
je
jouwe jullie
je
-
2e persoon
(formeel)
(regionaal)
uw uwe uw uwe
3e persoon
(mannelijk)
zijn
z'n
zijne hun hunne
3e persoon
(vrouwelijk)
haar
d'r, 'r
hare
3e persoon
(onzijdig)
zijn
z'n
(ervan)
zijne
Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm
  • haar

haar

  1. bezit aanduidend door een derde persoon vrouwelijk enkelvoud
    • Zij heet Anna. Haar man heet Jan. 
     Met haar metalen golfplaten dak leek deze plek me niet geschikt om bescherming te bieden, eerder een uitnodiging aan de bliksem om in te slaan.[6]
  2. (verouderd) bezit aanduidend door derde persoon vrouwelijk meervoud
    • De vrouwen en haar gevoelens. 
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm

haar

  1. accusatief van zij, derde persoon enkelvoud
    • Ik heb haar gisteren nog gezien. 
  2. datief van zij, derde persoon enkelvoud
    • Ik heb haar gisteren nog dat boek gegeven. 
  3. (verouderd) datief of accusatief van derde persoon meervoud
liegen keert zich tegen je, altijd! - met een leugen schiet iemand niets op omdat de waarheid altijd vroeg of laat naar buiten komt
  • tot in de toppen van zijn (haar) vingers
door en door, helemaal, geheel en al
enkelvoud meervoud
naamwoord haar haren
verkleinwoord haartje haartjes

het haaro

  1. (anatomie) hoofdhaar, uitgroeisel van het epidermis dat delen van het hoofd bedekt
  2. (anatomie) haren, uitgroeiselen van het epidermis bij zoogdieren die delen van of het gehele lichaam bedekken
  3. v/m (anatomie) een enkele uitgroeisel van het epidermis bij zoogdieren
  4. (plantkunde) plantenhaar, uitgroeisel op de opperhuid van planten
vervoeging van
haren

haar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haren
    • Ik haar. 
  2. gebiedende wijs van haren
    • Haar! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van haren
    • Haar je? 
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[8]


  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ek my ons ons
2e persoon
(informeel)
jy jou julle julle
2e persoon
(formeel)
u u u u
3e persoon
(mannelijk)
hy hom hulle hulle
3e persoon
(vrouwelijk)
sy haar
3e persoon
(onzijdig)
dit dit

haar

  1. haar



haar

  1. verouderde spelling of vorm van hår tot 1917
onbepaalde onzijdige vorm nominatief enkelvoud


haar

  1. verouderde spelling of vorm van hår tot 1917
onbepaalde onzijdige vorm nominatief enkelvoud