haar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

  enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon mijn
m'n
mijne ons, onze onze
2e persoon
(informeel)
jouw
je
jouwe jullie
je
-
2e persoon
(formeel)
(regionaal)
uw uwe uw uwe
3e persoon
(mannelijk)
zijn
z'n
zijne hun hunne
3e persoon
(vrouwelijk)
haar
d'r
hare
3e persoon
(onzijdig)
zijn
(ervan)
-
Uitspraak
Woordafbreking
  • haar

Bezittelijk voornaamwoord

haar

  1. bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
    Zij heet Anna. Haar man heet Jan.
  2. (verouderd) bezit aanduidend door 3e persoon vrouwelijk meervoud
    De vrouwen en haar gevoelens.
Vertalingen
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't

Persoonlijk voornaamwoord

haar

  1. accusatief van zij, derde persoon enkelvoud
    Ik heb haar gisteren nog gezien.
  2. datief van zij, derde persoon enkelvoud
    Ik heb haar gisteren nog dat boek gegeven.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord haar haren
verkleinwoord haartje haartjes

Zelfstandig naamwoord

haar o

  1. (anatomie) hoofdhaar, uitgroeisel van het epidermis dat delen van het hoofd bedekt
  2. (anatomie) haren, uitgroeiselen van het epidermis bij zoogdieren die delen van of het gehele lichaam bedekken
  3. v/m (anatomie) een enkele uitgroeisel van het epidermis bij zoogdieren
  4. plantenhaar, uitgroeisel op de opperhuid van planten
Uitdrukkingen en gezegden
  • Zijn haren gingen (recht) overeind staan.
  • Grijze haren van iets krijgen.
  • De haren (van iemand) rijzen (of staan) te berge.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ek my ons ons
2e persoon
(informeel)
jy jou julle julle
2e persoon
(formeel)
u u u u
3e persoon
(mannelijk)
hy hom hulle hulle
3e persoon
(vrouwelijk)
sy haar
3e persoon
(onzijdig)
dit dit
Uitspraak
  • IPA: /ɦɑːr/

Persoonlijk voornaamwoord

haar

  1. haar


Noors

Zelfstandig naamwoord

haar
  1. verouderde spelling of vorm van hår van vóór 1917
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud van haar, o


Nynorsk

Zelfstandig naamwoord

haar
  1. verouderde spelling of vorm van hår van vóór 1917
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud van haar, o