weer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weer
Woordherkomst en -opbouw
  • Samentrekking van weder
1 enkelvoud meervoud
naamwoord weer -
verkleinwoord weertje -
2 enkelvoud meervoud
naamwoord weer weren
verkleinwoord weertje weertjes

Zelfstandig naamwoord

weer o of m

  1. o (meteorologie) de atmosferische omstandigheden [1]
  2. m (dierkunde) een gesneden ram of geitenbok [2]
  3. m bezig zijn (zich te weren): in de weer zijn [3]
  4. o aantasting, mede door invloed van licht en vochtigheid
    • Doordat de tent nat werd opgerold bleek er enige dagen later het weer in te zitten 
  5. (plek met) eelt [4]
  6. landerijen -> (weersloot)
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Mooi weer spelen
zich mooier voordoen dan men is
  • Vroeg in de weer zijn
vroeg aan het werk zijn
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

weer

  1. nog een keer, weder, opnieuw
  2. van de andere kant
  3. tegen (in samenstellingen: -> weerspraak, weerstrijd) [6]
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • het is weer raak
  • weer terecht zijn
  • Het ene oor in, het andere weer uit.
iets (een raad e.d.) wel horen maar het vervolgens meteen weer vergeten; gezegd van hardleerse personen aan wie hetzelfde steeds weer opnieuw moet worden verteld
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
weren

weer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weren
    • Ik weer. 
  2. gebiedende wijs van weren
    • Weer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weren
    • Weer je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Limburgs

Uitspraak
  • IPA:
    • (Etsbergs): /weːʁ/
    • (Maastrichts): /weːʁ/
    • (Montforts): /weːʁ/
    • (Roermonds): /weːʁ/
    • (Venloos): /weɪ/

Persoonlijk voornaamwoord

weer

  1. wij
  2. men
Verbuiging
  • Verder bestaat ook nog de tweevoud met de vorm weet.