eelt

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eelt
Woordherkomst en -opbouw
  • (erfwoord): Afkomstig van Oergermaans *ili, gen. *iliþiz ‘voetzool’,[1] evenals Nederduits Eelt ‘eelt’, Duits dial. Illen ‘buil’[2] en Faeröers il ‘voetzool’, verder uit Indo-Europees *h₁elh₂- ‘gaan’, vergelijk Oudgrieks eláō ‘(aan)drijven’[3].
enkelvoud meervoud
naamwoord eelt -
verkleinwoord eeltje eeltjes

Zelfstandig naamwoord

eelt o

  1. (anatomie) harde verdikking van de huid ontstaan als reactie op belasting, vooral op de voeten en de handen
    Van al dat zware werk had hij flink wat eelt op zijn handen gekregen.
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Guus Kroonen (2013), Etymological Dictionary of Proto-Germanic. Leiden, Brill: 269.
  2. Jan de Vries (1971), Nederlands etymologisch woordenboek. Leiden, Brill.
  3. Vladimir Orel (2003), A Handbook of Germanic Etymology. Leiden, Brill, blz. 83.


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord eelt eelte

Zelfstandig naamwoord

eelt

  1. eelt