Naar inhoud springen

nogmaals

Uit WikiWoordenboek
  • nog·maals
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘bijwoord van tijd: wederom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1659 [1]

nogmaals

  1. nog een keer , opnieuw
     Blijkbaar werkte mijn actie wel, dus ik schopte nogmaals wat zand waardoor de ratelslang sierlijk de struiken ingleed. Ik wachtte een paar minuten tot de kust echt veilig was.[2]
     'Dan zal ik het je nogmaals vragen: met welk geld ga je die broeikassen bouwen?' Het lukt haar niet meer om zachtjes te praten.[3]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. "nogmaals" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be