weerzien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weer·zien
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord weerzien
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

weerzien o

  1. het iemand na een lange tijd weer ontmoeten
    • Hij had een aangenaam weerzien met zijn oude liefde. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.