Naar inhoud springen

war

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: War
  • war
enkelvoud meervoud
naamwoord war warren
verkleinwoord warretje warretjes

[A]dewarv/m

  1. (verouderd) chaotische toestand
    • Ik was behoorlijk in de war toen ik teveel gedronken had. 
     Zou Annet zich een jaar na dato nog steeds op die plek bevinden? Toen ik in die meest bittere rouwfase zat, kort na Caspers dood, was ik soms zo in de war dat ik niet meer wist welke dag het was of wanneer ik voor het laatst had gegeten.[6]
     Misschien weten enig kinderen dit allang, en zijn het alleen broers, zussen en hun ouders die in de war zijn.[7]
vervoeging van
warren

[A] war

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van warren
    • Ik war. 
  2. gebiedende wijs van warren
    • War! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van warren
    • War je? 
enkelvoud meervoud
naamwoord war warren
verkleinwoord warretje warretjes

[B]dewarv/m

  1. (Noord-Hollands) kwast, knoest in hout
  2. (België, Gelderland, Overijssel) eelt, weer
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. war op website: Etymologiebank.nl
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. weer (eelt) op website: Etymologiebank.nl
  6. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  7. Lynn Berger
    “De tweede: over het zijn en krijgen van een tweede kind” (2021), De Correspondent, ISBN 9789082821697
  • war

war

  1. eerste persoon enkelvoud verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van sein: was
  2. derde persoon enkelvoud verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van sein: was
  • Middelengels warre, werre, ontleend aan Oudfrans werre; vgl. Nieuwfrans guerre.
enkelvoud meervoud
war wars

war

  1. (politiek) (militair) oorlog

war

  1. waar; correct, niet onwaar, overeenkomend met de werkelijkheid

war

  1. (politiek) (militair) oorlog