war

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • war
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord war warren
verkleinwoord warretje warretjes

Zelfstandig naamwoord

war [2] [3] [4] [5] [6]

  1. verwarring, wanorde
    • Ik was behoorlijk in de war toen ik teveel gedronken had. 
  2. knoest in hout [7]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
warren

war

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van warren
    • Ik war. 
  2. gebiedende wijs van warren
    • War! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van warren
    • War je? 

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. Woordenboek der Nederlandse taal
  5. Woordenboek der Nederlandse taal
  6. Woordenboek der Nederlandse taal
  7. Woordenboek der Nederlandse taal


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • war

Werkwoord

war

  1. eerste persoon enkelvoud verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van sein: was
  2. derde persoon enkelvoud verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van sein: was


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
war wars

Zelfstandig naamwoord

war

  1. oorlog
Afgeleide begrippen