onweer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·weer
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘donderbui’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1]
  • Afleiding van weer met het voorvoegsel on-, de betekenis is enigszins ondoorzichtig [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord onweer onweren
verkleinwoord onweertje onweertjes

Zelfstandig naamwoord

onweer o

  1. (meteorologie) meteorologisch verschijnsel waarbij regen gepaard gaat met donder en bliksem
    • Het onweer hangt hier nu al een uur, en het blijft maar bliksemen. 
     De hele dag was het vriendelijk en rustig weer geweest, maar nu kwam er vanaf de andere kant van de berg een zwaar onweer op me af dat om de paar seconden fel oplichtte.[3]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

onweer

  1. gebiedende wijs van onweren

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen