mes

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een broodmes

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mes
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mes messen
verkleinwoord mesje mesjes

Zelfstandig naamwoord

mes o

  1. (gereedschap) (huishouden) een dun lang werktuig met een scherpgeslepen kant waamee gesneden kan worden
    • Hij nam een mes en sneed het brood ermee. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Overerving en ontlening
Uitdrukkingen en gezegden
  • Het mes aan twee kanten snijden
beiden voordeel ergens hebben
  • Het zijn niet allen koks die lange messen dragen
uiterlijk vertoon bewijst niets ofwel: het gereedschap hebben maakt iemand nog geen vakman
  • Iemand het mes op de keel zetten
allerlei middelen gebruiken om iemand onder druk te zetten
  • Iets voor het mes hebben
  • Met het mes in de buik (blijven) zitten
  • Onder het mes zitten
een examen hebben ofwel: in angstige omstandigheden zitten
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

mes o

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) overledene in de uitdrukking: kaals mes
Synoniemen

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

mes

  1. (gereedschap) mes

Meer informatie


Frans

Uitspraak
Woordafbreking
  • mes
nominatief genitief datief accusatief benadrukt
je mon / ma / mes moi me moi
Bezittelijke voornaamwoorden in het Frans
bezitter: wat bezeten wordt:
enk mv
m v
enk 1e pers. mon ma mes
2e pers. ton ta tes
3e pers. son sa ses
mv 1e pers. notre nos
2e pers. votre* vos*
3e pers. leur leurs
* als beleefdheidsvorm zowel meervoud als enkelvoud

Bezittelijk voornaamwoord

mes mv (m en v)

  1. mijn (bij woorden in het meervoud)
    «Je cherche mes parents.»
    Ik ben op zoek naar mijn ouders.
Uitdrukkingen en gezegden
  1. «Les amis des mes amis sont mes amis.»
    Vrienden van mijn vrienden zijn ook mijn vrienden.


Fries

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

mes

  1. (gereedschap) mes

Meer informatie


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /mɐ(ː)s/ (Etsbergs)

Persoonlijk voornaamwoord

mes

  1. onbeklemtoond genitief van ich.


Litouws

Uitspraak

Persoonlijk voornaamwoord

mes

  1. wij


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • mes
enkelvoud meervoud
mes meses

Zelfstandig naamwoord

mes m

  1. maand