waar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • waar
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: waer
Oudnederlands: war, wara
Germaans: *hwar
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: where (Angelsaksisch: hwær), Duits: wo, (Oudhoogduits: war), Fries: wer (Oudfries: hwēr)
Noord: Zweeds: var, Deens/Noors: hvor, (Nynorsk: kvor, kor, Oudnoors: hvar), IJslands/Faeröers: hvar
Oost: Gotisch: hwar

Werkwoord

vervoeging van
waren

waar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waren
    Ik waar.
  2. gebiedende wijs van waren
    Waar!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van waren
    Waar je?
enkelvoud meervoud
naamwoord waar waren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

waar v/m

  1. koopwaar, te verhandelen goederen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • Veel waar voor weinig geld
Vertalingen
stellend
onverbogen waar
verbogen ware

Bijvoeglijk naamwoord

waar

  1. correct, niet onwaar, overeenkomend met de werkelijkheid
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Vertalingen
Afgeleide begrippen

Bijwoord

waar

  1. Vragend: op welke plaats?
    Waar woont hij?
  2. Betrekkelijk op welke plaats
    Dit is het huis waar hij tien jaar gewoond heeft.
  3. als locatief deel van een voornaamwoordelijk bijwoord vervangt een vragend voornaamwoord wat,welk
    waarvoor => waar doet zij het voor?
  4. als locatief deel van een voornaamwoordelijk bijwoord vervangt een betrekkelijk voornaamwoord wat, dewelke
    bijv. waarachter => Ik opende de deur waar hij achter verborgen zat.
  5. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    waarmaken: Hij was niet in staat dat waar te maken.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Voegwoord

waar

  1. geeft een gelijktijdigheid en gedeeltelijke tegenspraak aan
    Waar Nederland zich zorgen maakt over Sint-Maarten, rekent het eiland op zijn nieuwe status.