weerkeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weer·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

weerkeren [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
weerkeren
keerde weer
weergekeerd
zwak -d volledig
  1. terug gaan naar de plaats waar men vandaan komt, terugkomen van eerst weggeweest te zijn
    • „Ik maak me zorgen omdat ik overal in onze maatschappij tekenen zie van het weerkerend fascisme, van een terugkeer van extreemrechts gedachtegoed”, zei één van de betogers tegen De Standaard.[2] 
  2. dat iets weer wordt zoals het vroeger geweest is (meestal dat het weer rustig wordt)
    • Waarnemend burgemeester Gerd Leers wil dat de rust in Brunssum weerkeert. „Het devies moet zijn: geen nieuws is goed nieuws”, hield Leers woensdagavond zijn gasten tijdens een nieuwjaarsreceptie van de gemeente voor.[3] 
    • Beboeten bij een mislukte poging zou de rust doen weerkeren”, zo redeneren uitbaters van tankstations, supermarkten en horeca-ondernemingen.[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 17 dec. 2016
  3. de Telegraaf 03 jan. 2018
  4. de Telegraaf ROY KLOPPER 09 aug. 2017