weerwraak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weer·wraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord weerwraak weerwraken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

weerwraak v/m [1]

  1. wraak (als antwoord op een eerdere wraakneming)
    • Mathieu van der Poel heeft tijdens de WB-wedstrijden voor beloften in Rome sportieve weerwraak genomen op Wout Van Aert, vorige woensdag nog de beste in Baal. In de tussenstand van de Wereldbeker vergroot Van der Poel zo zijn voorsprong op Van Aert. Meer nog: na zijn vierde zege is de eindzege binnen voor de Nederlander. [2] 
    • De Britse commissarissen Kinnock en Patten lagen dwars, uit weerwraak over het feit dat Bolkestein woensdag wel een meerderheid wist te winnen voor een standaard belastingniveau voor vrachtwagendiesel in heel de EU. [3] 
    • Net als Lescaille was hij vaak te gast bij de Amsterdamse families Bicker, Huydecoper en Six. Deed Vos daar de inspiratie op voor De klucht van Oene, waarin hij alles wat oneerlijk was in Amsterdam, hekelde? Lescaille gaf het stuk met genoegen uit. Vos schreef ook een toneelstuk dat Aran en Titus of wraak en weerwraak heet en waarin 'een als pudding opgediende prins, een gebakken Moor en geestesverschijningen' een rol spelen. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

35 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen