mir

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
enkelvoud meervoud
nominatief ich wir
genitief meiner unser
datief mir uns
accusatief mich uns


Woordafbreking
  • mir

Persoonlijk voornaamwoord

mir

  1. (aan/voor) mij (datief van de eerste persoon enkelvoud)


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /mɪr/ (Etsbergs)

Persoonlijk voornaamwoord

mir

  1. datief van ich


Luxemburgs

Uitspraak
enkelvoud meervoud
sterk zwak sterk zwak
nominatief ech mir mer
accusatief mech eis / äis
datief mir mer
wederkerend mech


Woordafbreking
  • mir
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelhoogduitse mir, een variant van wir die ontstond door assimilatie met de werkwoordsuitgang -(e)n.

Persoonlijk voornaamwoord

mir

  1. wij (nominatief van de eerste persoon meervoud)
    «Mir hu véier Hausdéieren.»
    Wij hebben veel huisdieren.
  2. (aan/voor) mij (datief van de eerste persoon enkelvoud)
    «Kënnt Dir mir hëllefen?»
    Kunt u mij helpen?


Pennsylvania-Duits

Uitspraak


Woordafbreking
  • mir

Persoonlijk voornaamwoord

mir (nominatief van de eerste persoon meervoud)

  1. wij
    «Mir winsche all unser Zeiding Leser un Heemetblatt Bsucher en wunnerbaar guudes un gsundes Yaahr 2015.»
    Wij wensen al onze krantlezers een heerlijk goed en gezond jaar 2015.
Opmerkingen