hamel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·mel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘gecastreerde ram’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1376 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord hamel hamels
verkleinwoord hameltje hameltjes

Zelfstandig naamwoord

hamel m

  1. (dierkunde) een gecastreerde ram [2]
    • De hamel overleed door de ziekte. 
  2. (insecten) emelt [3]
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders;
40 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord hamel hamels

Zelfstandig naamwoord

hamel

  1. hamel