weerstation

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

weerstation
Uitspraak
Woordafbreking
  • weer·sta·ti·on
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord weerstation weerstations
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

weerstation o

  1. gestandaardiseerd instrument dat de weersomstandigheden meet
  2. een locatie waar instrumenten staan opgesteld die de weersomstandigheden meten
    • Bij het weerstation bovenop de berg kunnen windstoten voorkomen van wel honderd kilometer per uur, wat door het gebrek aan begroeiing volgens de Tourorganisatie te gevaarlijk is. Ook is de verwachting dat de temperatuur op de top daalt tot een graad of vier. [1] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Joost Pijpker 13 juli 2016