Naar inhoud springen

mich

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
nominatief ich wir
genitief meiner unser
datief mir uns
accusatief mich uns


  • mich

mich

  1. mij (accusatief van de eerste persoon enkelvoud)
    «Er liebt mich
    Hij houdt van mij.
    «Sie waschen mich
    Ze wassen me.


  • IPA: /mɪx/ (Etsbergs)

mich

  1. accusatief van ich
  2. onbeklemtoond reflexief van ich



  • mich

mich

  1. me, mij (accusatief van de eerste persoon enkelvoud)
    «Nau glee bissel iwwer mich
    Nu meteen een beetje over mij.