gij

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
Uitspraak
Woordafbreking
  • gij
Woordherkomst en -opbouw
  • In Middelnederlands was ghi het meervoud van du, verwant aan Oudengels ge < ye, you. Zie ook uitleg van de gij-vorm. [1]

Persoonlijk voornaamwoord

gij [2] [3]

  1. tweede persoon enkelvoud- en meervoud. In België dagelijks gebruikt maar in Nederland verouderd.
    • Gij zijt hier welkom. 
Verwante begrippen
  • Clitische vorm: ge
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • (Be)zint eer gij begint
  • De dorsende os zult gij niet muilbanden
iemand die voor je werkt moet je goed behandelen
  • Met de maat waarmee gij meet, zal u weder gemeten worden
op de manier zoals je een ander behandelt zal je ook zelf behandeld worden
  • Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen