zijn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zijn
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zijn
/zɛin/
was
/ʋɑs/
geweest
/ɣə'ʋest/
onregelmatig volledig

Werkwoord

zijn

  1. ergatief: bestaan, existeren
    • De bijbel zegt: God bestaat; God openbaarde zich, diepgaand in Jezus Christus, en er is leven na de dood.[2] 
    • Is er nog koffie? 
  2. ergatief: leven
    • Zij is niet meer. 
  3. ergatief: zich bevinden, ergens aanwezig zijn
    • Ik ben in de tuin. 
    • We waren in Portugal. 
  4. ergatief, (onpersoonlijk): drukt de feitelijke toestand, hoedanigheid of wenselijkheid van iets uit
    • Wat is er met jou? 
    • Hoe is het? 
    • Wat zal het zijn? 
  5. koppelwerkwoord (gevolgd door zelfstandignaamwoordgroep): gelijk zijn aan:
    • Johan is onze voorzitter. 
  6. koppelwerkwoord(gevolgd door zelfstandignaamwoordgroep): tot de groep behoren van
    • De leeuw is een dier. 
  7. koppelwerkwoord (gevolgd door adjectief): de eigenschap hebben:
    • Hij is nieuwsgierig. 
  8. (onpersoonlijk), ~ te drukt een soort van verplichting uit, of iets dat noodzakelijk is of voor de hand ligt
    • Dat is af te raden. 
    • Dat is te verwaarlozen. 
  9. (onpersoonlijk), ~ te drukt een mogelijkheid uit
    • Er waren stemmen te horen van achter het muurtje. 
    • Dat is niet te doen. 
  10. hulpwerkwoord: ~ + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van een ergatief werkwoord
    • Komt hij nog? Hij is al gekomen. 
  11. hulpwerkwoord: ~ + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
    • Zij was zo vreselijk geslagen dat het bloed van haar lijf droop. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon mijn
m'n
mijne ons, onze onze
2e persoon
(informeel)
jouw
je
jouwe jullie
je
-
2e persoon
(formeel)
(regionaal)
uw uwe uw uwe
3e persoon
(mannelijk)
zijn
z'n
zijne hun hunne
3e persoon
(vrouwelijk)
haar
d'r, 'r
hare
3e persoon
(onzijdig)
zijn
(ervan)
-

Bezittelijk voornaamwoord

zijn

  1. derde persoon enkelvoud, mannelijk of onzijdig
    • Hij liet zijn hondje uit. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zijn o

  1. het bestaan
    • Als ik nu niet "Het Zijn en het Niets" van Jean-Paul Sartre ga lezen, zal het er wel nooit meer van komen. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen