Naar inhoud springen

zijn

Uit WikiWoordenboek
  • Geluid:  zijn    (hulp, bestand)
  • IPA: / zɛin / (1 lettergreep);
    • [B] als bezittelijk voornaamwoord zonder nadruk ook vaak uitgesproken als /zən/, wat in de geschreven tekst kan worden weergegeven als z'n
  • zijn
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zijn
/zɛin/
was
/ʋɑs/
geweest
/ɣə'ʋest/
onregelmatig volledig [A]

[A] zijn

  1. ergatief: bestaan, existeren
    • Is er een oplossing voor dit probleem? 
  2. ergatief (meestal gevolgd door niet meer): leven
    • Zij is niet meer. 
  3. ergatief: zich bevinden, ergens aanwezig zijn
    • Ik ben in de tuin. 
    • We waren in Portugal. 
  4. ergatief, onpersoonlijk: drukt de feitelijke toestand, hoedanigheid of wenselijkheid van iets uit
    • Wat is er met jou? 
    • Hoe is het? 
    • Wat zal het zijn? 
  5. koppelwerkwoord (gevolgd door zelfstandignaamwoordgroep): gelijk zijn aan:
    • Johan is onze voorzitter. 
  6. koppelwerkwoord(gevolgd door zelfstandignaamwoordgroep): tot de groep behoren van
    • De leeuw is een dier. 
  7. koppelwerkwoord (gevolgd door adjectief): de eigenschap hebben:
    • Hij is nieuwsgierig. 
  8. onpersoonlijk, ~ te drukt een soort van verplichting uit, of iets dat noodzakelijk is of voor de hand ligt
    • Dat is af te raden. 
    • Dat is te verwaarlozen. 
  9. onpersoonlijk, ~ te drukt een mogelijkheid uit
    • Er waren stemmen te horen van achter het muurtje. 
    • Dat is niet te doen. 
  10. hulpwerkwoord: ~ + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van een ergatief werkwoord
    • Komt hij nog? Hij is al gekomen. 
  11. hulpwerkwoord: ~ + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
    • Zij was zo vreselijk geslagen dat het bloed van haar lijf droop. 

[A] het zijno

  1. (filosofie) gegeven dat iets of iemand bestaat
    • Als ik nu niet "Het Zijn en het Niets" van Jean-Paul Sartre ga lezen, zal het er wel nooit meer van komen. 
  enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon mijn
m'n
mijne ons, onze onze
2e persoon
(informeel)
jouw
je
jouwe jullie
je
-
2e persoon
(formeel)
(regionaal)
uw uwe uw uwe
3e persoon
(mannelijk)
zijn
z'n
zijne hun hunne
3e persoon
(vrouwelijk)
haar
d'r, 'r
hare
3e persoon
(onzijdig)
zijn
z'n
(ervan)
zijne
Boven: benadrukte vorm. Onder: onbenadrukte vorm

[B] zijn

  1. derde persoon enkelvoud, mannelijk of onzijdig
    • Hij liet zijn hondje uit. 
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]