haarbreed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haar·breed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord haarbreed
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

haarbreed o [2]

  1. heel weinig n.l. de breedte van een mensenhaar
Uitdrukkingen en gezegden
  • geen haarbreed
zelfs niet het allergeringste
- En die hele geschiedenis viel samen met die soldaat met zijn doordringende stem, en die hele geschiedenis en die soldaat grepen hem pijnlijk bij zijn arm en drukten en trokken hem steeds maar in één richting. Hij probeerde zich los te maken, maar zij weken geen haarbreed, geen seconde van zijn schouder. Die schouder zou geen pijn doen en zou gezond zijn als zij er maar niet aan trokken; maar hij kon zich niet van hen bevrijden.[3]
  • iemand geen haarbreed in de weg leggen
iemand zijn gang laten gaan

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Tolstoj, L.N. Oorlog en Vrede Vertaald uit het Russisch door Yolanda Bloemen en Marja Wiebes 2006 ISBN 9028240462 pagina 257