haren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
haren
haarde
gehaard
zwak -d volledig

Werkwoord

haren [1]

  1. (onovergankelijk) haar verliezen [2]
    Wat is de hond weer aan het haren
  2. (overgankelijk) (landbouw) een zeis of zicht scherpen (met een haarhamer en haarspit) [3] [4]
Hyponiemen
stellend
onverbogen haren
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

haren [5]

  1. gemaakt van haar
Hyponiemen


Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

haren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord haar
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord hare
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. etymologiebank.nl
  5. Woordenboek der Nederlandse taal