Naar inhoud springen

haren

Uit WikiWoordenboek
  • ha·ren
  • In de betekenis van ‘een zeis scherpen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1343 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
haren
haarde
gehaard
zwak -d volledig

haren [2]

  1. onovergankelijk haar verliezen [3]
    • Wat is de hond weer aan het haren 
  2. overgankelijk (landbouw) een zeis of zicht scherpen (met een haarhamer en haarspit) [4] [5]
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen

haren [6]

  1. gemaakt van haar

deharenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord haar
     Olive voelde zijn trots voor haar in de manier waarop hij haar haren beetpakte, zijn lippen langs haar hals liet glijden en verder naar beneden, onder de smaragden die waren verwarmd door haar huid.[7]
     'Een zeebriesje streelt je haren ' Even ontspande ik, maar toen ik wegdoezelde lag Linda naast me.[8]

deharenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hare
  • iemand in de haren vliegen
iemand aanvallen
 Dit was het moment dat een van de jongens haar in de haren vloog.[9]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[10]