dit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dit
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: dit, det
Oudnederlands: thit
Germaans: *þat
Indo-Europees: *tód
  • Verwant in Germaans:
Engels: this (Angelsaksisch: þis)

Aanwijzend voornaamwoord

dit ; enkelvoud o nabij

  1. zelfstandig gebruikt
    Dit is een boek.
  2. met een onzijdig woord in het enkelvoud
    Ik houd van dit boek.
Vertalingen


Afrikaans

  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ek my ons ons
2e persoon
(informeel)
jy jou julle julle
2e persoon
(formeel)
u u u u
3e persoon
(mannelijk)
hy hom hulle hulle
3e persoon
(vrouwelijk)
sy haar
3e persoon
(onzijdig)
dit dit
Uitspraak

Persoonlijk voornaamwoord

dit

  1. het (persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon enkelvoud onzijdig.).



Bretons

Voorzetselvorm

dit

  1. vorm van da voor de tweede persoon enkelvoud
    «Dit.»
    Naar jou.


Catalaans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

dit m

  1. (anatomie) vinger.


Frans

Werkwoord

dit

  1. voltooid deelwoord (participe passé) van dire
  2. derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van dire
  3. derde persoon enkelvoud verleden tijd (passé simple) van dire


Middelnederlands

enkelvoud meervoud
m v o m/v/o
nominatief dese dese dit dese
genitief des derre des derre
datief desen derre desen desen
accusatief desen dese dit dese

Aanwijzend voornaamwoord

dit

  1. o nominatief dit.
  2. o accusatief dit.