dit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dit
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘aanwijzend voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in 1201 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: dit, det
Oudnederlands: thit
Germaans: *þat
Indo-Europees: *tód
  • Verwant in Germaans:
Engels: this (Angelsaksisch: þis)

Aanwijzend voornaamwoord

dit ; enkelvoud o nabij

  1. zelfstandig gebruikt
    • Dit is een boek. 
     `Ik weet het; zei de majordomus. 'Het was ijdele hoop dat dit u zou ontgaan. Ik vraag u met klem de grootmoedigheid op te brengen om mijn nederige excuses te aanvaarden. Deze uit de toon vallende decoratie is het jammerlijke gevolg van het enthousiasme van de nieuwe eigenaar.'[2]
  2. met een onzijdig woord in het enkelvoud
    • Ik houd van dit boek. 
  3. als je iets met nadruk wilt aanwijzen
    • Nee! dit is niet goed. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ek my ons ons
2e persoon
(informeel)
jy jou julle julle
2e persoon
(formeel)
u u u u
3e persoon
(mannelijk)
hy hom hulle hulle
3e persoon
(vrouwelijk)
sy haar
3e persoon
(onzijdig)
dit dit
Uitspraak

Persoonlijk voornaamwoord

dit

  1. het (persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon enkelvoud onzijdig.).


Bretons

Voorzetselvorm

dit

  1. vorm van da voor de tweede persoon enkelvoud
    «Dit.»
    Naar jou.


Catalaans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

dit m

  1. (anatomie) vinger.


Frans

Werkwoord

dit

  1. voltooid deelwoord (participe passé) van dire
  2. derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van dire
  3. derde persoon enkelvoud verleden tijd (passé simple) van dire


Middelnederlands

enkelvoud meervoud
m v o m/v/o
nominatief dese dese dit dese
genitief des derre des derre
datief desen derre desen desen
accusatief desen dese dit dese

Aanwijzend voornaamwoord

dit

  1. o nominatief dit.
  2. o accusatief dit.


Nedersaksisch

Aanwijzend voornaamwoord

dit

  1. dit
Verwante begrippen