mijn

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

  enkelvoud meervoud
bijvoeglijk zelfstandig bijvoeglijk zelfstandig
1e persoon mijn
m'n
mijne ons, onze onze
2e persoon
(informeel)
jouw
je
jouwe jullie
je
-
2e persoon
(formeel)
(regionaal)
uw uwe uw uwe
3e persoon
(mannelijk)
zijn
z'n
zijne hun hunne
3e persoon
(vrouwelijk)
haar
d'r, 'r
hare
3e persoon
(onzijdig)
zijn
(ervan)
-
Uitspraak
Woordafbreking
  • mijn
Woordherkomst en -opbouw
  • (bv) van Middelnederlands mijn, van Oudnederlands min[1]
  • (zn1,2) van Middelnederlands mine, van Oudfrans mine, van Gallisch *mina[2]
  • (zn3) ontstaan in de middeleeuwen uit mijn roepen[3]

Bezittelijk voornaamwoord

mijn [4]

  1. van de eerste persoon enkelvoud
    • Mijn huis staat op een heuvel. 
Verwante begrippen
  • Clitische vorm: m'n
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
enkelvoud meervoud
naamwoord mijn mijnen
verkleinwoord mijntje mijntjes

Zelfstandig naamwoord

mijn v/m

  1. een plaats waar delfstoffen gewonnen worden, onderaards of in een open groeve [5]
  2. voorwerp gevuld met springstof die ontploft bij aanraking en dergelijke
  3. plaats voor openbare verkoping bij afslag [6]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
mijnen

mijn

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mijnen
    • Ik mijn. 
  2. gebiedende wijs van mijnen
    • Mijn! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mijnen
    • Mijn je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  3. etymologiebank.nl
  4. etymologiebank.nl
  5. etymologiebank.nl
  6. etymologiebank.nl